Beste Professor,
Ik ben ziek van ons ambacht, de roem en de schaamte. Professor, Ik leef als een trein dat enkel stopt op een station. Er werd niet nagedacht. Het voelt als jaren geleden dat we voor het laatst spraken, ontvangt u nog steeds de brieven die ik u stuur? Het komt niet tekort aan wat voor leed ik jullie heb aangedaan, de grootste zonde en teloorgang van onze moderne tijd. We dachten het zo goed te weten, maar wat was het uiteindelijk waard? Ik probeer me de laatste jaren voor te stellen aan wat voor zogenaamd lot we ons in bevonden, een ziekte die wij hebben losgelaten. De personen die wij zo lief hebben gehad in het verleden verdwenen in het niets.
Kunt u het zich nog herinneren Professor, een tijd voor de ontdekking. Waarin we dachten aan een toekomst? Wat heeft u ervan kunnen maken na zoveel jaar? Wat konden we doen. Het was het fenomeen wat ons had gefascineerd, en ons zoveel vreugde had gegeven. Nee, niet het organisme, maar het rotte raamwerk waar wij bij hoorden. De mens wordt geteisterd door een plaag, zijn mening dat hij iets weet. Het is als een ijzeren grip wat ons aanstuurt, en het lijdt tot maar één logisch gevolg. De waarheid, verlichting en progressie die wij probeerde te schapen, werd een verdraaiing, vervuiling, en een walgelijke verheerlijking. Het is van goud gemaakt Professor, een kans in de boeken de staan. Om bij te dragen aan het groter geheel. Maar tot welke offer waren wij in staat, en wat was haar termijn? En dan allemaal voor een bladzijde?
Ik hoop dat u me terugschrijft.
Met veel liefst en sterkte,
Albert